Column Bart Romijn | Samen leren, evalueren en innoveren voor impact

Nieuws

Een pleidooi voor een cultuur van leren en betere evaluaties ten einde ontwikkelingsbeleid effectiever te maken.


Onder deze titel breken 16 Nederlandse wetenschappers in het economenblad ESB een lans voor nauwere betrokkenheid van wetenschappers. Betrokkenheid bij de opzet en uitvoering van evaluaties en meer aandacht voor het leeraspect binnen impactevaluaties. Zij verwijzen daarbij onder andere naar de inzichten van Nobelprijswinnares Esther Duflo. Als Partos onderschrijven we dit – op de overheid gerichte – pleidooi en veel van de aangehaalde inzichten in het artikel. Ook binnen eigen kringen zien we het leren over hoe we onze inzet efficiënter, effectiever en duurzamer kunnen maken als een kerntaak. Veel waarde hechten we dan ook aan het door de auteurs geciteerde inzicht van Duflo: “dat over het algemeen leren van interventies het meest effectief is als beleidsmakers en uitvoerende organisaties langdurig samenwerken met potentiële begunstigden en onderzoekers”.

Nauwere interactie tussen al deze partijen is een kritische voorwaarde voor zowel de ontwikkeling, uitvoering, monitoring, evaluatie en follow-up van activiteiten. Laten we even een uitstapje maken naar de sport. Wetenschappers – hoe top-of-the-bill zij ook zijn - zijn gedoemd te falen als trainer of coach van een sportteam. Wel blijken wetenschappelijke inzichten, ontwikkeld (en geëvalueerd) samen met trainers, coaches en de sporters zelf, keer op keer sportploegen een ‘competitief voordeel’ op te leveren. Met nauwere betrokkenheid van wetenschappers is ook in ons werk nog een wereld te winnen.

Er zijn tal van aspecten waar we nog duidelijke vooruitgang kunnen boeken, met behulp van verschillende wetenschappelijke disciplines. Ik noem er een paar, te beginnen met de vraag “hoe creëren we grotere betrokkenheid van, en zeggenschap voor de groepen waar we ons op richten?” Op de tweede plaats denk ik aan een grotere diversiteit in evaluatiecycli. Korte cycli, om direct al doende te leren. Langer lopend, projectduur overstijgend onderzoek, omdat veel van de (sociale, ecologische en economische) veranderingsprocessen waar we ons op richten grotere tijdspannes hebben dan de gangbare duur van projecten. En meer meta-evaluaties: analyse van clusters van evaluaties om grotere patronen te ontdekken.

Op de derde plaats moeten we altijd goed in de gaten houden welke impact we willen vaststellen. Impactmeting mag niet louter bepaald worden door wat meetbaar is. Dit klinkt misschien als een open deur. Maar het is een algemene praktijk. Tot nu toe wordt de vooruitgang van ons land (van bijna alle landen) nog steeds gemeten op basis van het Bruto Nationale Product en niet op basis van een Brede Welvaart Index. Waarom? Omdat het politiek neutraler is (want passend in het vigerende neoliberale beleid). Bovendien is het BNP scherper en objectiever te meten dan het BWI. In dit geval: te selectief meten is veel niet weten. Zie bijvoorbeeld ook bij beleidscoherentie van ontwikkeling. Dit is wellicht een van de meest bepalende factoren voor de impact van ’s lands ontwikkelingsbeleid. Maar overheden zijn uiterst terughoudend dit te meten en hierover te rapporteren. Dit gevaar ligt zeker ook op de loer bij ontwikkelingssamenwerking onder invloed van politieke stokpaardjes.

Als laatste aspect waarop we grote vooruitgang kunnen boeken noem ik lef. Lef om innovatieve benaderingen uit te proberen, zonder zekerheid te hebben dat het impact gaat hebben. Lef om ruimte te geven aan innovatie. En lef om fouten te erkennen en daarvan te leren. Wellicht is hier nog de grootste winst uit lerend evalueren te halen: leren over hoe we het best kunnen innoveren én leren. Dan gaat het niet om hoe goed we zijn, maar om hoe goed we met ons allen willen worden.



Visual by Lorenzo Miola via Thegreats.co